Grenzen – Guatemala en Mexico

EFA2DB12-58ED-435A-81B5-55ADB247A50EIn Guatemala hangen de wolken laag boven het donkergroen terwijl we afmeren op een smalle wiebelige boot. Het duister van de avond komt eraan en ik wil zo vlug mogelijk de Usumacinta rivier oversteken. Mexico ligt voor ons; groen en ondoordringbaar. Een groep spierwitte vogels schrikt op van het brommen van de motor en vliegt als een sierlijk witte wolk uit de bomen. Veel mensen uit El Salvador, Honduras en Guatemala steken hier in het donker de grens over, weg van geweld of armoede. Krokodillen, roerloos op de oevers, vormen de enige bewaking. Het stoffige migratiekantoortje rijd je zo voorbij en controle is er weinig. Die komt later in Mexico langs de doorgaande wegen pas.

Grenzen, daar waar aan de andere kant een nieuwe toekomst, het geluk, geld of avontuur wacht, een andere machthebber of orde, maar wat betekent dat eigenlijk?

In Chiapas, de meest zuidelijke deelstaat van Mexico, staan de grenzen nog ter discussie. De inheemse bevolking en organisaties zoals de Zapatisten hebben hier semi autonome regio’s in handen. Vannacht zijn we te gast bij de Lacandon Maya’s. Om doorgang te hebben door het gebied betaalt iedereen een kleine tol. Men denkt dat hun voorvaderen in de zeventiende en achttiende eeuw vanuit Yucatan naar dit gebied gevlucht zijn om de Spaanse overheersing te ontlopen. Door de afgelegen locatie lukte het hen om tot in de jaren veertig buiten het bereik van missionarissen en andere blanke invloeden te blijven. In de oorspronkelijke taal betekent Usumacinta de plaats van de brulaap. ‘s Ochtends zijn ze luid en duidelijk te horen in het groen om ons heen.

Enkele dagen later passeren we het zapatisten gebied. Bijna 26 jaar geleden (1994) werd de kleine linkse beweging in een klap bekend met de inname van verschillende steden en dorpen, waaronder San Christobal de las Casas. Na 500 jaar onderdrukking, eerst door de Spanjaarden en daarna door de Mexicaanse regering, was de maat vol. De eis was meer autonomie voor de inheemse bevolking, aandacht voor de grote kloof tussen arm en rijk en verzet tegen neo-liberalisme en globalisering. De opstand kwam dan ook op de dag dat het vrijhandelsverdrag tussen de VS, Canada en Mexico van kracht werd. Voor de president, Carlos Salinos, kwam het als een onaangename verrassing en hij stuurde het leger naar de Chiapas. Maar veel Mexicanen waren onder de indruk van de eis van de Zapatisten en gingen massaal de straat op. De president werd dus gedwongen tot vredesonderhandelingen. Deze kwamen er, maar echte vrede is nooit bereikt en de oorlogsverklaring aan de Mexicaanse staat is nog steeds van kracht.

De Zapatisten leven onafhankelijk van de nationale regering, ze hebben eigen scholen en ziekenhuizen, en weigeren alle hulp van de staat. De autonomie is niet officieel erkend maar wordt wel gedoogd. Zo rijden er enkele auto’s zonder nummerbord door de straten. Als ik vraag hoe dat kan knikt de chauffeur meewarig, ‘Zapatisten hebben hun eigen rechtssysteem en kunnen dus niet aangehouden worden door de politie’.

Nadat president Salinas het leger terugtrok hebben paramilitairen echter weten te voorkomen dat de Zapatisten veel macht kregen. Gesteund door de grootgrondbezitters heeft vooral de rechtse organisatie met de mooie naam Paz y Justicia (Vrede en Gerechtigheid) in de tweede helft van de jaren negentig angst en terreur gezaaid. Iedereen die ervan verdacht werd te sympathiseren met de Zapatisten was doelwit. Maar ook de Zapatisten slagen er niet in de armoede te bestrijden. Inheemse volken worden nog steeds als tweedeklas burgers gezien. De armoede is groot. De Mexicaanse regering biedt een kleine uitkering aan de allerarmsten. Met de acceptatie van het geld zijn ze binnen de organisatie niet meer welkom. Maar armoede laat vaak weinig keus.

FCD67CC6-5685-4B89-A2D8-96A0C9F2912E

 

Colombia

We rijden door de wolken. In de bergen rondom Medellín kan het weer zomaar veranderen en van de felle zon begeven we ons nu opeens in een grijze waas.

Hij houdt me vast alsof hij voor zijn leven vreest. ‘Ik heb bijna m’n rijbewijs hoor’ roep ik vrolijk terwijl ik zo nonchalant mogelijk de motor door de bochten manoeuvreer. ‘In dat gekke land van je zonder bergen ja’ roept hij boven het gesuis van de wind en het geronk van de motor uit terwijl ik de volgende haarspeldbocht instuur.

We rijden van dorp naar dorp, onderweg stoppen we voor arrepa’s en empanadas. We passeren finca’s, jungles en huizen, blaffende honden en verkiezingsposters, heel veel verkiezingsposters. 27 oktober wordt het land drooggelegd en mogen de Colombianen naar de stembus voor de nieuwe burgemeesters en lokale overheid.

En tot die tijd is het campagne voeren. In teams trekken mensen de straat op om stemmen te winnen voor hun favoriete kandidaat, auto’s en huizen worden onder geschilderd en alles uit de kast getrokken.

Echt alles ja. In de aanloop naar de verkiezingen werden zeven kandidaten vermoord en velen bedreigd. Toch zijn de verkiezingen zelf zonder noemenswaardig geweld verlopen. Bogota koos haar eerste vrouwelijke burgemeester en in Mompox, een slaperig stadje aan de Magdalena rivier, werd de hele dag feest gevierd met een stoet toeterende motors, een geïmproviseerde bar op de oever en veel vlaggen die aan de Zwitserse doen denken.

De meeste lieve mensen die ik in dit prachtige land spreek zijn hoopvol. Maar met de groeiende ongelijkheid, het vredesakkoord met de FARC op losse schroeven en de vele vluchtelingen uit buurland Venezuela moet er nog hard aan de weg getimmerd worden voordat het hier in Colombia echt stabiel is. De opkomst van het toerisme creëert veel werk. Hoog in de Sierra Nevada, voorheen vooral bekend vanwege de vruchtbare grond voor het verbouwen van coca, werken gemeenschappen samen op de route naar de ‘verloren stad’ van de oorspronkelijke Tayrona gemeenschap.

Maar zolang de vraag naar het witte goud in de rest van de wereld blijft bestaan, alleen al in Amsterdam wordt er naar schatting dagelijks (!) voor 200.000 euro weggesnoven (bron: Trouw) is het lastig om weerstand te bieden aan het snelle geld.

301DBA3C-6845-4B15-B54C-CCF3F16D5873.jpeg

Driemaal liefde

Na een goede nacht in een hobbelende bus kom je vanuit Cairo in Siwa aan, een oase in het Westen van Egypte, vlakbij de Libische grens. De Siwi’s hebben hun eigen taal, gewoonten en tradities en leven veelal van de dadelexport. Het is een verademing om na al dat zand opeens weer groene palmbomen te zien wuiven en in hun schaduw te kunnen zitten. Het is hier, in de koelte van een dadelpalm, dat ik Nour ontmoet. Nour betekent licht in het Arabisch en komt uit Alexandrië, de tweede grootste stad van Egypte in het Noorden aan de Middellandse Zee. Ze heeft Duits gestudeerd en werkt in een van de hotels, maar stiekem verdenk ik haar ervan de lokale hasj dealer te zijn. Met een brede glimlach onder een vrolijk gekleurde hoofddoek, kleine lachrimpeltjes met haar dertig jaar en eigenwijze levenswijze vind ik haar al snel aardig. ’s Avonds is er feest, wordt er gedanst rond een kampvuur, muziek gemaakt en draait zij de jointjes. Maar ik kom er algauw achter dat er nog een reden is waarom ze zoveel in Siwa te vinden is. Ze is namelijk verliefd geworden op een Siwi, Ahmed, en hij op haar. Behalve dat hij tien jaar ouder is, is er nog een klein probleem. Hij is namelijk al getrouwd, tweemaal. Polygamie is in Siwa heel normaal, en het feit dat hij twee vrouwen heeft geeft aan dat hij welvarend is. Je hebt immers de middelen om twee gezinnen met bijbehorende kinderen te onderhouden. Ze denkt er over na om zijn derde vrouw te worden. Vrienden verklaren haar voor gek, familie wil een goede partij voor hun dochter. Maar ze houdt vol. ‘’In Nederland zou het een scheiding zijn, gebroken families, jaloezie. Ik wil niet dat hij voor mij zijn vrouwen en kinderen verlaat. Ik wil juist graag onderdeel van dit geheel worden, een buitenleven, een aantal dieren om voor te zorgen en hopelijk kinderen, ik ben tenslotte ook al dertig. En als ik dan kinderen krijg groeien ze op in een grote familie. Misschien kan ik in een ander huwelijk iemands enige zijn, maar welke garantie geeft dat? Veel van mijn vrienden zijn gescheiden, soms nadat een van hun vreemd gegaan is. Of omdat hun persoonlijkheden toch niet bij elkaar pasten. Geloof me, deze liefde is groter dan mijn ego. Mijn broer zegt dat ik beter verdien. Maar wat verdien ik meer dan een leven dat ik wil, met de man die ik wil?’’ En daar gaat ze, trots en vol zelfvertrouwen, om in het licht van de vlammen nog een sigaretje te roken met haar grote liefde.

 

Hoop sterft als laatste

Ondanks het vroege uur staat de zon al hoog boven het asfalt. Een enkele verdwaalde auto en minibus scheurt voorbij. We hoeven maar een klein stukje over de verharde weg, daarna is er de stoffige winkelstraat met de kapper, wat supermarktjes, de sportschool -al is het meer een donker hok waar gespierde mannen in een intense zweetlucht gewichtheffen-, een café waar waterpijp gerookt wordt, en tot mijn verbazing een soort autowasserij, wat me vrij zinloos lijkt in een ongeplaveide, stoffige woestijnstraat. Behalve een oude man die op de stoep gezeten sigaretten rookt, heb ik er dan ook nog nooit iemand gezien. Dit geschreven hebbende stond er de dag erna opeens een mini-file van zowaar drie auto’s te wachten. Daar gaat je waarheid. De oudere man was er ook vandoor gegaan, waarschijnlijk sigaretten halen. 

Dan komen we, door een klein poortje naast een groot hek, binnen in het toeristengedeelte. Slippers, broeken in alle kleuren van de regenboog, lampen, kruiden, snorkelsets en beeldjes van piramides en farao’s voeren de boventoon. We scheuren er met de fiets gauw tussendoor. Soms vraag ik me af hoe mensen naar ons kijken; een Egyptenaar met ontbloot, gespierd bovenlijf en zonnebril, ontspannen fluitend. Ik erachteraan, korte broek, wapperende haren die te licht zijn voor hier, mijn gezicht altijd licht bruinverbrand. ‘Weer zo’n naïeve buitenlandse die zich laat imponeren door een Egyptenaar’, zeker. Ik betrap mezelf er in ieder geval op dat ik soms zo naar anderen kijk.

Op het strand aangekomen wordt er flink wat afgeflirt. Een stukje verderop is het animatieteam gestart. Dikke, roodverbrande billen schudden op de maat van de muziek. Wit vlees puilt uit te kleine bikinibroekjes. Een groepje jonge mannen houdt ze met een schuin oog in de gaten. Een relatie met een buitenlandse, in welke vorm dan ook, geeft aanzien, ongeacht leeftijd en de mate van aantrekkelijkheid. Mijn blik wordt er ongewild naartoe gezogen, zoals het bruine water in het badputje na een fietstocht over de stoffige paden. Het is net als een ongeluk; dat je eigenlijk wil wegkijken, maar dat je niet anders kan dan staren. Je nieuwsgierigheid groter dan de afschuw.

Misschien dat ik daarom nog harder werk om mijn Arabisch goed te krijgen, zodat ik me enigszins kan distantiëren van dit hele gebeuren. Of dat ik in ieder geval kan verstaan wat er om me heen gefluisterd en gegrapt wordt. Maar misschien is dat wel valse hoop en geeft het alleen maar aan dat ik er al te lang ben, hier in deze zandbak langs de Rode Zee. Ik heb al best veel vrouwen ontmoet die voor de liefde zijn gebleven, en daarna voor de zon, of gewoon, omdat er altijd de hoop is op een nieuwe liefde. Zo is er Giulietta, een Italiaanse die al twintig jaar hier woont. Ze is ooit blijven hangen voor haar vakantieliefde, daarna voor de hoop. ‘Darling, twintig jaar is lang, tijd om te vertrekken’. Waarnaar? vraag ik. ‘Ja, als ik dat zou weten, dan zou ik hier niet meer zijn’. Het klinkt fel maar wordt teniet gedaan door een droevige glimlach. Ja, denk ik bij mezelf, hoop sterft als laatste.

Bier bij volle maan

‘Zeg habibi’,  vraag ik. Hij houdt ervan als ik hem habibi, schatje, noem. Zelf denk ik daarbij eerder aan Marokkaanse straatschoffies met petjes, of de beroemde Libanese zangeres Fayrouz die met lange, hoge uithalen haar verloren geliefde toezingt. Maar goed, voor de liefde moet je iets over hebben. Zelf noem ik hem liever lekkerding, dat bestaat in het Arabisch niet en laat zich vrij vertalen als ‘iets lekkers’. Op zich snap ik ook wel weer dat hij daar op zijn beurt niet warm voor loopt. ‘Over dat trouwen hè, wie loopt je te pushen?’ ‘Iedereen’, zucht hij. ‘Familie, vrienden, maar mijn vrienden misschien nog wel het meest’. ‘Zeg maar dat ze eerst lekker zelf in het huwelijksbootje mogen stappen’, antwoord ik. ‘Ze zijn allemaal al getrouwd’ is zijn reactie meteen. Welkom in Egypte.

Laten we eerst dit avontuur maar eens overleven samen. Want dat is me nogal iets, een kiteschool runnen in de Sinaï woestijn, tussen de vijfsterrenhotels en dito gasten. De Costa Brava van Egypte, maar dan met palmbomen en kamelen.

Vanavond zijn de Russen gelukkig vroeg naar huis, of zitten aan het buffet. Op het uitgestorven strand zitten we met een biertje in het zachte zand op de volle maan te wachten. ‘En wat als we ooit kinderen hebben, worden die dan Moslim?’ Een grote verbaasde glimlach. ‘Dat weet ik niet, wat ben jij eigenlijk, Christelijk toch?’ ‘Ja Katholiek, maar toen de vorige Paus zich tegen homo’s uitsprak heb ik erover gedacht me uit te laten schrijven. Maar deze Paus is beter’. ‘En dan, wat word je dan?’ ‘Niets’, antwoord ik. Opnieuw een verbaasde glimlach. ‘Oh dat kan dan, echt helemaal niks?’

De maan verreist langzaam boven de bergen van Saudi Arabië, volmaakt rond laat ze het water van de Rode Zee glinsteren. Kleine visjes springen voor ons uit het water op en laten alleen een glinstering achter.

‘Misschien kunnen ze zelf wel kiezen wat ze willen zijn, dan lees ik ze uit de Koran voor en vertel jij ze over de Bijbel als je wil. En als ze dan net zo slim worden als jij dan worden ze vast Moslim’. ‘Maar schatje ik ben geen Moslim hè’. ‘Maar jou vader las je dan ook geen Koran voor’. Daar is natuurlijk niks op te zeggen. ‘Cheers habibti’. Daar drinken we dan nog maar een biertje op. ‘Proost’.

 

El Raís

Twee grote oorlogsschepen varen langzaam voorbij de verbaasde snorkelaars. Het is windstil en het blauwe water ligt er als een heldere spiegel bij. Salsa-muziek schalt over het strand en past totaal niet bij de enorme gevaartes die het uitzicht op Saudi-Arabië even ontnemen. El presidente, Sisi, verwacht komende dagen hoogbezoek. Afrikaanse staatshoofden, zakenlieden en andere hogepiefen komen voor de African Business Conference. Na de aanslag in Noord Sinaï is het hele Egyptische veiligheidsapparaat op hol geslagen. Iedereen die niet in de buurt hoeft te zijn kan worden gearresteerd en het gebied uit gezet worden. Bouwvakkers worden -onbetaald- voor enkele dagen naar huis gestuurd.

Ook vriendjelief heeft het juiste papier nog niet en werkt officieel dus nog aan de andere kant van de Sinaï, en zo spring ik op de fiets voor de boodschappen. Hij heeft niet zoveel zin in een nachtje cel om vervolgens op de bus uitgezet te worden. Terug naar, tsja, terug naar wat. Probeer die politieman maar eens uit te leggen dat je niet meer 500 kilometer verderop werkt.

Wat wel helpt in Egypte zijn contacten. Dus drinken we al de hele week thee met de politieagent naast ons. Omdat een kopje thee natuurlijk best gezellig is, maar vooral zodat we binnenkort eens kennis kunnen maken met de officier.

Tot die tijd houden we ons rustig in ons gebiedje tussen de twee checkpoints. En dat bevalt voor even best goed. Vanavond wordt er Egyptisch gegeten, en hoewel ik het bij de 20 graden van vandaag koud had en me zuchtend over Arabische woorden als ‘ambitieus’ en ‘nalatig’ buig, is hij de Egyptenaar, en is er dus geen enkele twijfel mogelijk wie er vanavond in de keuken staat. Hoewel we gister samen nog een beetje verbouwereerd naar de complete kip stonden te staren, wordt er nu al twee uur lang druk knoflook gesneden en kip gehakt, en vol overgave in de pannen geroerd. Al onder toeziend oog van mama Youtube. Aangezien de echte moederlief haar weg naar de semi-befaamdheid in het doolhof van oneindig enthousiast kokende vrouwen nog niet gevonden heeft, en thuis -vanzelfsprekend- toch echt de allerbeste molokhia gekookt wordt, klinkt de een na de andere schelle vrouwenstem uit de speaker die stap voor stap de allerlekkerste gerechten tevoorschijn tovert. Op de vraag of ik ergens mee kan helpen klinkt het alleen: ‘nee hoor habibti, jij bent pas half Egyptische, dit laat ik aan háár over.’

Blonde haren in de Sinaï woestijn.

lente 2017

 

Het is alsof de hele wereld besloten heeft om op hetzelfde moment haar adem in te houden, windstil, geen geluid in de wijde omtrek te bekennen, afwachtend op wat komen gaat. Het woestijnlandschap strekt zich voor ons uit. De lucht trilt boven de dorre grond, geen enkel geluid komt van de onherbergzame hoogtes die ons omringen. Ik kijk naar hem, naar donkere ogen met lange wimpers die knipperen om de tranen tegen te houden.

Plotseling doemen de silhouetten van een groep kamelen op uit de verte, de klanken van de drijvers doorbreken de stilte en galmen vrolijk door de leegte van de Sinaï woestijn.

‘Alles gaat voorbij’, zing ik in het Arabisch, een van onze favoriete liedjes, ‘kom op, we zijn er bijna’. De pick-up staat verderop op ons te wachten. We klimmen in de laadbak en ik geniet van de wind door mijn haren die de hitte hier draaglijk maakt.

 

winter 2017

 

Het zijn diezelfde ogen boven een brede glimlach die maken dat ik nog steeds in de Sinaï woestijn rondloop. Ogen die toebehoren aan een jongen van het water. Het water van de Nijl die als een levensader door Noord-Afrika stroomt, en het water van de zee die zich oneindig uitstrekt rondom het schiereiland waar ik nu woon. Het zijn de vragen uit Nederland die me besloten hebben om weer te gaan schrijven. Want ja, hij is moslim, en nee, ik ben niet bekeerd, de komende honderd jaar voorlopig niet. Ik rijd hier auto, loop in bikini en maak als vrijgevochten vrouw af en toe fikse ruzie over rokjes en hokjes. Bovendien is het publiek geheim dat we samenwonen, want zonder getrouwd te zijn is dat nog echt taboe. Een hoofddoek boven mijn korte broek zou wat gek staan, maar vanaf nu elke week wel een kort verhaal over de zin en onzin van mijn Egyptische avonturen; blonde haren in de Sinaï.