Driemaal liefde

Na een goede nacht in een hobbelende bus kom je vanuit Cairo in Siwa aan, een oase in het Westen van Egypte, vlakbij de Libische grens. De Siwi’s hebben hun eigen taal, gewoonten en tradities en leven veelal van de dadelexport. Het is een verademing om na al dat zand opeens weer groene palmbomen te zien wuiven en in hun schaduw te kunnen zitten. Het is hier, in de koelte van een dadelpalm, dat ik Nour ontmoet. Nour betekent licht in het Arabisch en komt uit Alexandrië, de tweede grootste stad van Egypte in het Noorden aan de Middellandse Zee. Ze heeft Duits gestudeerd en werkt in een van de hotels, maar stiekem verdenk ik haar ervan de lokale hasj dealer te zijn. Met een brede glimlach onder een vrolijk gekleurde hoofddoek, kleine lachrimpeltjes met haar dertig jaar en eigenwijze levenswijze vind ik haar al snel aardig. ’s Avonds is er feest, wordt er gedanst rond een kampvuur, muziek gemaakt en draait zij de jointjes. Maar ik kom er algauw achter dat er nog een reden is waarom ze zoveel in Siwa te vinden is. Ze is namelijk verliefd geworden op een Siwi, Ahmed, en hij op haar. Behalve dat hij tien jaar ouder is, is er nog een klein probleem. Hij is namelijk al getrouwd, tweemaal. Polygamie is in Siwa heel normaal, en het feit dat hij twee vrouwen heeft geeft aan dat hij welvarend is. Je hebt immers de middelen om twee gezinnen met bijbehorende kinderen te onderhouden. Ze denkt er over na om zijn derde vrouw te worden. Vrienden verklaren haar voor gek, familie wil een goede partij voor hun dochter. Maar ze houdt vol. ‘’In Nederland zou het een scheiding zijn, gebroken families, jaloezie. Ik wil niet dat hij voor mij zijn vrouwen en kinderen verlaat. Ik wil juist graag onderdeel van dit geheel worden, een buitenleven, een aantal dieren om voor te zorgen en hopelijk kinderen, ik ben tenslotte ook al dertig. En als ik dan kinderen krijg groeien ze op in een grote familie. Misschien kan ik in een ander huwelijk iemands enige zijn, maar welke garantie geeft dat? Veel van mijn vrienden zijn gescheiden, soms nadat een van hun vreemd gegaan is. Of omdat hun persoonlijkheden toch niet bij elkaar pasten. Geloof me, deze liefde is groter dan mijn ego. Mijn broer zegt dat ik beter verdien. Maar wat verdien ik meer dan een leven dat ik wil, met de man die ik wil?’’ En daar gaat ze, trots en vol zelfvertrouwen, om in het licht van de vlammen nog een sigaretje te roken met haar grote liefde.

 

Advertenties

Hoop sterft als laatste

Ondanks het vroege uur staat de zon al hoog boven het asfalt. Een enkele verdwaalde auto en minibus scheurt voorbij. We hoeven maar een klein stukje over de verharde weg, daarna is er de stoffige winkelstraat met de kapper, wat supermarktjes, de sportschool -al is het meer een donker hok waar gespierde mannen in een intense zweetlucht gewichtheffen-, een café waar waterpijp gerookt wordt, en tot mijn verbazing een soort autowasserij, wat me vrij zinloos lijkt in een ongeplaveide, stoffige woestijnstraat. Behalve een oude man die op de stoep gezeten sigaretten rookt, heb ik er dan ook nog nooit iemand gezien. Dit geschreven hebbende stond er de dag erna opeens een mini-file van zowaar drie auto’s te wachten. Daar gaat je waarheid. De oudere man was er ook vandoor gegaan, waarschijnlijk sigaretten halen. 

Dan komen we, door een klein poortje naast een groot hek, binnen in het toeristengedeelte. Slippers, broeken in alle kleuren van de regenboog, lampen, kruiden, snorkelsets en beeldjes van piramides en farao’s voeren de boventoon. We scheuren er met de fiets gauw tussendoor. Soms vraag ik me af hoe mensen naar ons kijken; een Egyptenaar met ontbloot, gespierd bovenlijf en zonnebril, ontspannen fluitend. Ik erachteraan, korte broek, wapperende haren die te licht zijn voor hier, mijn gezicht altijd licht bruinverbrand. ‘Weer zo’n naïeve buitenlandse die zich laat imponeren door een Egyptenaar’, zeker. Ik betrap mezelf er in ieder geval op dat ik soms zo naar anderen kijk.

Op het strand aangekomen wordt er flink wat afgeflirt. Een stukje verderop is het animatieteam gestart. Dikke, roodverbrande billen schudden op de maat van de muziek. Wit vlees puilt uit te kleine bikinibroekjes. Een groepje jonge mannen houdt ze met een schuin oog in de gaten. Een relatie met een buitenlandse, in welke vorm dan ook, geeft aanzien, ongeacht leeftijd en de mate van aantrekkelijkheid. Mijn blik wordt er ongewild naartoe gezogen, zoals het bruine water in het badputje na een fietstocht over de stoffige paden. Het is net als een ongeluk; dat je eigenlijk wil wegkijken, maar dat je niet anders kan dan staren. Je nieuwsgierigheid groter dan de afschuw.

Misschien dat ik daarom nog harder werk om mijn Arabisch goed te krijgen, zodat ik me enigszins kan distantiëren van dit hele gebeuren. Of dat ik in ieder geval kan verstaan wat er om me heen gefluisterd en gegrapt wordt. Maar misschien is dat wel valse hoop en geeft het alleen maar aan dat ik er al te lang ben, hier in deze zandbak langs de Rode Zee. Ik heb al best veel vrouwen ontmoet die voor de liefde zijn gebleven, en daarna voor de zon, of gewoon, omdat er altijd de hoop is op een nieuwe liefde. Zo is er Giulietta, een Italiaanse die al twintig jaar hier woont. Ze is ooit blijven hangen voor haar vakantieliefde, daarna voor de hoop. ‘Darling, twintig jaar is lang, tijd om te vertrekken’. Waarnaar? vraag ik. ‘Ja, als ik dat zou weten, dan zou ik hier niet meer zijn’. Het klinkt fel maar wordt teniet gedaan door een droevige glimlach. Ja, denk ik bij mezelf, hoop sterft als laatste.

Bier bij volle maan

‘Zeg habibi’,  vraag ik. Hij houdt ervan als ik hem habibi, schatje, noem. Zelf denk ik daarbij eerder aan Marokkaanse straatschoffies met petjes, of de beroemde Libanese zangeres Fayrouz die met lange, hoge uithalen haar verloren geliefde toezingt. Maar goed, voor de liefde moet je iets over hebben. Zelf noem ik hem liever lekkerding, dat bestaat in het Arabisch niet en laat zich vrij vertalen als ‘iets lekkers’. Op zich snap ik ook wel weer dat hij daar op zijn beurt niet warm voor loopt. ‘Over dat trouwen hè, wie loopt je te pushen?’ ‘Iedereen’, zucht hij. ‘Familie, vrienden, maar mijn vrienden misschien nog wel het meest’. ‘Zeg maar dat ze eerst lekker zelf in het huwelijksbootje mogen stappen’, antwoord ik. ‘Ze zijn allemaal al getrouwd’ is zijn reactie meteen. Welkom in Egypte.

Laten we eerst dit avontuur maar eens overleven samen. Want dat is me nogal iets, een kiteschool runnen in de Sinaï woestijn, tussen de vijfsterrenhotels en dito gasten. De Costa Brava van Egypte, maar dan met palmbomen en kamelen.

Vanavond zijn de Russen gelukkig vroeg naar huis, of zitten aan het buffet. Op het uitgestorven strand zitten we met een biertje in het zachte zand op de volle maan te wachten. ‘En wat als we ooit kinderen hebben, worden die dan Moslim?’ Een grote verbaasde glimlach. ‘Dat weet ik niet, wat ben jij eigenlijk, Christelijk toch?’ ‘Ja Katholiek, maar toen de vorige Paus zich tegen homo’s uitsprak heb ik erover gedacht me uit te laten schrijven. Maar deze Paus is beter’. ‘En dan, wat word je dan?’ ‘Niets’, antwoord ik. Opnieuw een verbaasde glimlach. ‘Oh dat kan dan, echt helemaal niks?’

De maan verreist langzaam boven de bergen van Saudi Arabië, volmaakt rond laat ze het water van de Rode Zee glinsteren. Kleine visjes springen voor ons uit het water op en laten alleen een glinstering achter.

‘Misschien kunnen ze zelf wel kiezen wat ze willen zijn, dan lees ik ze uit de Koran voor en vertel jij ze over de Bijbel als je wil. En als ze dan net zo slim worden als jij dan worden ze vast Moslim’. ‘Maar schatje ik ben geen Moslim hè’. ‘Maar jou vader las je dan ook geen Koran voor’. Daar is natuurlijk niks op te zeggen. ‘Cheers habibti’. Daar drinken we dan nog maar een biertje op. ‘Proost’.

 

El Raís

Twee grote oorlogsschepen varen langzaam voorbij de verbaasde snorkelaars. Het is windstil en het blauwe water ligt er als een heldere spiegel bij. Salsa-muziek schalt over het strand en past totaal niet bij de enorme gevaartes die het uitzicht op Saudi-Arabië even ontnemen. El presidente, Sisi, verwacht komende dagen hoogbezoek. Afrikaanse staatshoofden, zakenlieden en andere hogepiefen komen voor de African Business Conference. Na de aanslag in Noord Sinaï is het hele Egyptische veiligheidsapparaat op hol geslagen. Iedereen die niet in de buurt hoeft te zijn kan worden gearresteerd en het gebied uit gezet worden. Bouwvakkers worden -onbetaald- voor enkele dagen naar huis gestuurd.

Ook vriendjelief heeft het juiste papier nog niet en werkt officieel dus nog aan de andere kant van de Sinaï, en zo spring ik op de fiets voor de boodschappen. Hij heeft niet zoveel zin in een nachtje cel om vervolgens op de bus uitgezet te worden. Terug naar, tsja, terug naar wat. Probeer die politieman maar eens uit te leggen dat je niet meer 500 kilometer verderop werkt.

Wat wel helpt in Egypte zijn contacten. Dus drinken we al de hele week thee met de politieagent naast ons. Omdat een kopje thee natuurlijk best gezellig is, maar vooral zodat we binnenkort eens kennis kunnen maken met de officier.

Tot die tijd houden we ons rustig in ons gebiedje tussen de twee checkpoints. En dat bevalt voor even best goed. Vanavond wordt er Egyptisch gegeten, en hoewel ik het bij de 20 graden van vandaag koud had en me zuchtend over Arabische woorden als ‘ambitieus’ en ‘nalatig’ buig, is hij de Egyptenaar, en is er dus geen enkele twijfel mogelijk wie er vanavond in de keuken staat. Hoewel we gister samen nog een beetje verbouwereerd naar de complete kip stonden te staren, wordt er nu al twee uur lang druk knoflook gesneden en kip gehakt, en vol overgave in de pannen geroerd. Al onder toeziend oog van mama Youtube. Aangezien de echte moederlief haar weg naar de semi-befaamdheid in het doolhof van oneindig enthousiast kokende vrouwen nog niet gevonden heeft, en thuis -vanzelfsprekend- toch echt de allerbeste molokhia gekookt wordt, klinkt de een na de andere schelle vrouwenstem uit de speaker die stap voor stap de allerlekkerste gerechten tevoorschijn tovert. Op de vraag of ik ergens mee kan helpen klinkt het alleen: ‘nee hoor habibti, jij bent pas half Egyptische, dit laat ik aan háár over.’

Blonde haren in de Sinaï woestijn.

lente 2017

 

Het is alsof de hele wereld besloten heeft om op hetzelfde moment haar adem in te houden, windstil, geen geluid in de wijde omtrek te bekennen, afwachtend op wat komen gaat. Het woestijnlandschap strekt zich voor ons uit. De lucht trilt boven de dorre grond, geen enkel geluid komt van de onherbergzame hoogtes die ons omringen. Ik kijk naar hem, naar donkere ogen met lange wimpers die knipperen om de tranen tegen te houden.

Plotseling doemen de silhouetten van een groep kamelen op uit de verte, de klanken van de drijvers doorbreken de stilte en galmen vrolijk door de leegte van de Sinaï woestijn.

‘Alles gaat voorbij’, zing ik in het Arabisch, een van onze favoriete liedjes, ‘kom op, we zijn er bijna’. De pick-up staat verderop op ons te wachten. We klimmen in de laadbak en ik geniet van de wind door mijn haren die de hitte hier draaglijk maakt.

 

winter 2017

 

Het zijn diezelfde ogen boven een brede glimlach die maken dat ik nog steeds in de Sinaï woestijn rondloop. Ogen die toebehoren aan een jongen van het water. Het water van de Nijl die als een levensader door Noord-Afrika stroomt, en het water van de zee die zich oneindig uitstrekt rondom het schiereiland waar ik nu woon. Het zijn de vragen uit Nederland die me besloten hebben om weer te gaan schrijven. Want ja, hij is moslim, en nee, ik ben niet bekeerd, de komende honderd jaar voorlopig niet. Ik rijd hier auto, loop in bikini en maak als vrijgevochten vrouw af en toe fikse ruzie over rokjes en hokjes. Bovendien is het publiek geheim dat we samenwonen, want zonder getrouwd te zijn is dat nog echt taboe. Een hoofddoek boven mijn korte broek zou wat gek staan, maar vanaf nu elke week wel een kort verhaal over de zin en onzin van mijn Egyptische avonturen; blonde haren in de Sinaï.

 

Het verlaten paradijs

imageHelderblauw water schittert me in vele tinten tegemoet, de decemberzon fel genoeg om mijn huid roodbruin te kleuren, blote voeten in slippers op het rotsenstrand. De grote felgekleurde vliegers van de kitesurfers stijgen mee met de zon die achter de bergen van Saudi Arabië opkomt. Steeds hoger, steeds feller. De Rode Zee naast de Sinaï woestijn is een paradijs voor waterliefhebbers. Duikers verdwijnen in de diepte, alleen een streep zuurstofbellen achterlatend, windsurfen, zwemmen, urenlang snorkelen en je verliezen in de onderwaterwereld.

De toeristen kwamen en brachten geld, werk, inkomsten. Resorts en hotels werden uit de grond gestampt, tourbedrijven draaiden overuren en het leven was er goed. Zelfs de beduinekinderen die met een glimlach vol rotte tandjes armbandjes verkopen deden goede zaken.

Nu is het stil, de resorts leeg en verlaten, de mensen verveeld in hun winkels, de kinderen met hun handgeknoopte waar als een zwerm krijsende meeuwen om het handjevol toeristen dat er is. Sinds de revolutie, maar vooral sinds het neerstorten van het Russische passagiersvliegtuig boven de Sinaï is het stil. Onafgebouwde hotels staan als onheilspellende geraamtes langs de kust.

Met het kelderen van de Egyptische munt is de crisis compleet. Suiker is alleen nog op de zwarte markt te verkrijgen, mijn euro’s zijn opeens het dubbele waard. Onder de sterrenhemel lacht Sameer zijn bruine tanden bloot terwijl hij vertelt over de vroegere handel met Saudi Arabië. “Met de boot ben je er binnen een half uur, we brachten wat ze wilden; hasj, cocaïne, amfetamine, en ze betaalden, tot wel vijftig keer zoveel als in Egypte. Nu is het onmogelijk”, zucht hij terwijl hij nog een jointje rookt. “Ze houden ons in de gaten met grote boten en felle lichten, als ze je één keer pakken laten ze je meestal gaan, een tweede keer wordt je ter dood veroordeeld”. Nu runt hij een restaurantje aan de rand van een groot binnenmeer, maar de toeristen moeten wel komen om zijn droom over een nieuwe boot te verwezenlijken.

De handel in hasj gaat ondertussen rustig door langs de kleine gehuchten aan het blauwe Egyptische water. Iedereen weet het, ook de politie, maar wanneer ze met een patrouillewagen komen is alles allang verstopt. Het is één bedouinestam die in het gebied woont, verdeeld over vier familietakken, en informatie reist sneller dan de jeeps die je al van ver aan ziet komen. Maar in Egypte is minder geld, dus blijft de Saudische droom van het grote geld lonken.

Onder de wuivende rieten daken wordt de stilte plotseling verstoord door een overvliegende helikopter, de grenspolitie die de regelmatige patrouille uitvoert. Met het wegsterven van het gebrom vervliegt ook de droom van de overtocht. “Vanavond vis?” vraagt Sameer met een glimlach. En ik knik.

Soul food

Op blote voeten en met een brutale grijns staat hij aan ons tafeltje, ouder dan tien kan hij niet zijn. Hij maakt een grapje met de jongens die hem verveeld wegsturen. Nauwelijks later staart een klein meisje ons met haar grote, donkere ogen aan, gevolgd door een vervuilde jongen die zakdoekjes verkoopt, zijn zwarte handjes verstopt in een afgesleten trui. Ze verdwijnen tussen de winkelende mensen, toeterende auto’s, vuilnishopen waar straathonden in vroeten en de andere straatverkopers, bedelaars en overleveraars in de chaos van Cairo.

Overal klinken hun stemmen luid boven de anderen uit, hun waar aanprijzend of koranverzen reciterend, smekend en jammerend maar tegelijkertijd bevelend: hoor ons, zie ons, wij zijn er ook. Ook in de metro gaat de onophoudelijke stroom verkopers door. Ze wurmen zich tussen de mensen door die met honderden in de metrostations samendrommen. Wanneer de deuren opengaan is er maar één manier om je te laten meevoeren in de mensenmassa, naar de stoffige, ongeplaveide steegjes waar kippen en konijnen levend verkocht worden, kleine kinderen achter een bal aanrennen, oude mannen shisha roken en de was buiten aan de waslijnen van de hoge, grijze gebouwen wappert.

Volg de geur van schoon wasgoed, kruiden en daarna de heerlijke etensgeuren naar een restaurant waar het altijd druk is. Je moet je geld bijna voor het gezicht van de kassamedewerker houden terwijl je net als de anderen om het hardst roept wat je wil. Met een beetje geluk krijg je een bonnetje dat je vervolgens, hetzelfde trucje herhalend, bij de volgende balie inlevert. De andere kant op raak je echter verstrikt in de geur van afval, uitlaatgassen, het bloed van de vele slagerijen waar uitgemergelde straatkatten verlekkerd op af komen en de karkassen die aan grote haken onder de brandende Midden Oosten zon hangen. De geur van vele lichamen, ongewassen, ziek en stoffig, de geur van armoede.

Niet veel later scheuren we in een dure auto met harde muziek naar een terras op de 20ste verdieping met uitzicht op de Nijl en een groot deel van de enorme stadsjungle. Hier hangt alleen de geur van appeltabak en klinkt het gegiechel van verliefde stelletjes, zelfs het onophoudelijke verkeersgebrom lijkt hier te vervagen.

Als hemel en hel bestaan dan is het hier, daklozen die lijken te verdwijnen tegen een achtergrond van vuilnis en glimmend nieuwe kantoorpanden, overblijfselen van eeuwenoude grooste beschavingen die we blijkbaar alleen nog van musea kennen en een totale anarchie op de wegen waar ik stiekem wel van geniet. Meedeinend in een hobbelig minibusje, genietend van de levensenergie die hier stroomt, manuvrerend om opdringerige taxichauffeurs te ontwijken en dansend tenmidden van de chaos zal ik komende tijd in Egypte mijn weg proberen te vinden.